Bio-elektrische therapie

Het basisbioregultatiesysteem 

Het basisbioregulatiesysteem is een goede graadmeter voor de gezondheidstoestand van het organisme. De toestand waarin dit systeem verkeert, is duidelijk en objectief meetbaar. Meerdere diagnostische methoden zijn daarvoor beschikbaar. De zeven eerstvolgende technieken rubriceert men ook wel onder de term elektrodermale diagnostiekmethoden. Het zijn methoden waarbij elektrische eigenschappen van de huid worden gemeten. Hierbij wordt aandacht geschonken aan van binnenuit het lichaam komende (o.a. huidpotentiaal) en van buiten het lichaam komende (o.a. huidweerstand) parameters. Bij de beschrijving van onderstaande technieken is gebruikgemaakt van publicaties van Wiegant (1986, 1990).

Elektro-acupunctuur volgens Voll (EAV). Met het elektro-acupunctuurapparaat (weerstandsmeter) van dr. Voll blijken alle acupunctuurpunten bij alle personen één en dezelfde meetwaarde op te leveren. Deze vaste uitslag is 50 microampère (met gelijkstroom gemeten); tenminste als de organen en orgaanfuncties waarmee de acupunctuurpunten corresponderen, gezond zijn. Bij ziekte blijkt de elektrische weerstand te veranderen. Het overschrijden van deze waarde wijst op een energiestuwing oftewel een ontsteking, een ‘itis’. Een tekort aan weerstand ten opzichte van de toegevoerde stroom, dus lager dan 50 microampère, betekent dat het desbetreffende orgaan aan degeneratie onderhevig is of een neiging hiertoe vertoont. Dit is een ‘ose’. Een derde diagnostische mogelijkheid biedt het fenomeen van de zogenaamde ‘Zeigerabfall’. Hierbij valt de wijzer na het bereiken van zijn hoogste waarde langzaam of snel terug naar een lagere stand.

Deze Zeigerabfall is een dynamische waardebepaling die iets zegt over functiestoornissen van een bepaald orgaan. De ernst van de functieafwijking blijkt direct gecorreleerd met de mate waarin de wijzer afwijkt van de normale stand en met de snelheid waarmee de eindstand wordt bereikt. Op deze wijze kan men de functie van alle organen en onderdelen van organen doormeten en op grond van de meetresultaten een totaaldiagnose opstellen. 

Leitwert-meting 

Voordat acupunctuurpunten worden doorgemeten, verricht men de zogenaamde ‘Leitwert’-meting (richtwaarde-meting). De patiënt krijgt twee elektroden in de hand waarna de weerstand van het lichaam wordt bepaald. Deze schommelt bij gezonde mensen tussen 80 en 85 microampère. Deze meting geeft een indruk van de energiehuishouding van de proefpersoon. Bij een te lage energetische toestand (men spreekt dan van sympaticotonie) is de diagnostiek van de organen onmogelijk. Het tekort aan energie moet eerst aangevuld worden. Ook bij een te hoge energiewaarde (men spreekt dan van vagotonie) verdient het aanbeveling de energiehuishouding te normaliseren alvorens aan de meer gerichte diagnostiek te beginnen. Dit gebeurt door op of af te laden, wat tot de mogelijkheden van een elektro-acupunctuurtoestel behoort. Als de totale energiehuishouding het juiste niveau heeft (tussen 80 en 85), wordt begonnen men met het doormeten van de punten zoals dat hiervoor is beschreven. De patiënt houdt de negatieve elektrode in de hand, terwijl de onderzoeker de gewenste acupunctuurpunten opzoekt met de positieve elektrode. Wanneer de onderzoeker contact maakt met het huidpunt, is het lichaam geschakeld in een stroomcircuit. Op grond van de gevonden waarden kan de diagnose worden gesteld. Dr. Voll beschrijft 850 elektro-acupunctuurpunten. In de praktijk zijn een 150-tal voldoende om een betrouwbare indruk te krijgen van het totale functioneren van de patiënt.

De elektro-acupunctuur richt zich voornamelijk op het meten van de elektrische weerstand van acupunctuurpunten op handen en voeten. Dit zijn de belangrijkste punten aan het begin of einde van de verschillende meridianen.

Decoder-dermografie (DDG). De decoder-dermografie is ontwikkeld door Jahnke en Bergmann. Bepaalde lichaamssegmenten worden geprikkeld met gepulseerde (10Hz) positieve en negatieve gelijkstroom en er wordt gemeten met een grote plaatelektrode. Zowel de terugstroom die volgt op de positieve als de terugstroom die volgt op de negatieve impulsstroom wordt bij de decoder-dermografie vastgelegd. Ten slotte wordt driemaal het potentieel verschil gemeten: voorafgaand aan de negatieve impulsstroom en na de twee terugstromen. Bij de decoder-dermografie kiest men voor bepaalde meetgebieden, meestal gelegen op hoofd, armen en voeten. Met deze methode kunnen elektrische eigenschappen van bepaalde lichaamsgebieden worden gemeten. Veranderingen in deze eigenschappen worden na het aanbrengen van spanningsverschillen gekarakteriseerd en vervolgens diagnostisch geïnterpreteerd. Zo wordt onder meer als antwoord op een impulsstroom een terugstroom geregistreerd, welke nauw samenhangt met de capacitatieve vermogens van het gemeten weefselgebied. Op deze wijze kan men objectieve informatie verkrijgen omtrent elementaire eigenschappen van het basisbioregulatiesysteem.

Segment-elektrografie (SEG). De segment-elektrograaf is ontwikkeld door dr. Helmut Schimmel. Bij deze methode wordt een te meten gedeelte van het lichaam eerst geprikkeld met een reeks negatieve impulsen, vervolgens met een reeks positieve impulsen. De impulsfrequentie bedraagt 13 Hz. De weerstand wordt geregistreerd, waarbij de waargenomen amplitude een maat is voor de geleidingswaarde. Het antwoord op de positieve terugstroom wordt als terugstroom geregistreerd. Een dergelijke terugstroom zal door het capacitatieve vermogen van het weefsel worden waargenomen. Aan de wijze waarop deze terugstroom plaatsvindt zou de reactievaardigheid van het gemeten gebied kunnen worden afgelezen. Door het toedienen van een prikkel vindt er bovendien een regulatie plaats in de elektro-dynamiek van de huid en het basisbioregulatiesysteem. Deze regulatie uit zich in andere elektropolarisatie-eigenschappen die kunnen worden waargenomen als na de eerste prikkel een bepaalde tijdsduur een tweede prikkel wordt gegeven. Elk gebied van het lichaam kan door segment-elektrografie worden geregistreerd. In het algemeen kiest men voor een tiental meetpunten welke paarsgewijs zijn gelokaliseerd op hoofd, hals, thorax, bekken en bovenbenen. Veelal worden de registraties per computer opgeslagen en inzichtelijk gemaakt.

Elektro-huidtest (EHT)Met behulp van een elektrische stroom van bekende sterkte wordt de huid geprikkeld waardoor een geringe roodverkleuring van de huid optreedt. Als plaats van prikkeling kiest men bepaalde ‘Headse zones’. In deze viscero-cutane reflexgebieden bestaat er een duidelijk verband tussen het gebied op de huid en bepaalde organen. De opgewekte roodheid in het huidgebied zal afhankelijk van de conditie van het daarmee corresponderende orgaan snel of langzaam verdwijnen. Met deze diagnostische methode kunnen orgaanstoornissen worden opgespoord en kan men een indruk verkrijgen van de reactievaardigheid van het basisbioregulatiesysteem.

Thermoregulatiediagnostiek (TRD). Deze door Ernst Schwamm beschreven vorm van diagnostiek berust op de warmtestraling van de huid. Huidzones worden afgetast met een thermo-meetapparaat of bolometer (warmtemeting op afstand met infraroodstraling). Warme en koude plaatsen worden geregistreerd. Als reactie op een korte thermische prikkel of een vegetatief stimulerend middel verandert de warmtestraling van de huid volgens bepaalde patronen. Deze veranderingen kunnen afwijkend zijn van de normwaarden. Het gebied met afwijkend gedrag is een indicatie voor het functioneren van het vegetatieve zenuwstelsel in het desbetreffende lichaamssegment. Tevens krijgt men hierdoor een indruk van het functioneren van organen die een relatie hebben met het bestudeerde segment, waardoor orgaanstoornissen lokaliseerbaar worden.

Bio-elektrische functiediagnostiek (BFD). Deze vorm van diagnostiek is in feite de neerslag van het werk van een groep wetenschappers die de elektro-acupunctuur volgens Voll op een aantal punten wijzigden, anders interpreteerden en aanvulden. Men gebruikt, in plaats van messing, zilveren elektroden. Hierdoor verandert de normwaarde van een meetpunt van 50 naar 40 microampère. Het aantal meetpunten werd teruggebracht waardoor een meetsessie aanzienlijk werd bekort. Mogelijk de belangrijkste aanvulling betreft de vergelijking tussen een eerste en een tweede meting met een adequate prikkel daartussen. Vergelijking van deze twee metingen geeft een indruk van de dynamiek van het systeem, terwijl bij de elektro-acupunctuur volgens Voll een statisch beeld wordt verkregen.

Vegatest. De vegatest, ook wel vegetatieve reflextest (VRT) genoemd, is in de jaren zeventig ontwikkeld door dr. Schimmel. Bij deze vorm van diagnostiek wordt niet meer zoals in de elektro-acupunctuur gezocht naar gestoorde acupunctuurpunten om zo een indruk te krijgen van de bijbehorende organen. Bij de vegatest wordt een punt (soms twee punten) genomen om het hele lichaam te screenen. Dit gebeurt met filterampullen. Filterampullen bestaan uit bepaalde homeopathica, metalen, orgaanpreparaten of vloeistoffen die representatief zijn voor bepaalde lichaamssystemen. Men meet het desbetreffende acupunctuurpunt (meestal bij een vingernagel) en noteert de waarde. Vervolgens kan men de filterampullen in het circuit plaatsen, waarna er opnieuw wordt gemeten. Wanneer de laatst gemeten waarde lager is dan de eerste kan dat wijzen op een disfunctie van de lever. Op deze wijze kan men informatie verkrijgen over de meest uiteenlopende organen of processen (allergieën en toxische stoffen). Een centrale rol speelt de bepaling van de toxische index, een soort biologische leeftijd. Dit gebeurt met behulp van een in potentie oplopende reeks ampullen met het orgaanpreparaat ‘mesenchym’.

Bio-elektronica volgens Vincent (BEV). De Franse hoogleraar Louis Claude Vincent wordt beschouwd als de grondlegger van de bio-elektronica, door sommigen ook wel levenselektriciteit genoemd. Bij de bio-elektronica volgens Vincent wordt van verschillende lichaamsvochten (bloed, urine en speeksel) de zuurgraad (pH), de redoxpotentiaal (rH2) en de weerstand (ionsterkte is r-waarde) vastgesteld. Dit levert in totaal negen parameters op. Uitgaande van de normwaarden vindt de diagnose van een groot aantal ziekten plaats door een bepaalde combinatie van deze negen parameters. De vloeistoffen bloed, urine en speeksel worden gezien als een afspiegeling van de extra-cellulaire vloeistof van het losse bindweefsel. Een combinatie van de gemeten waarden zou volgens Vincent voldoende zijn om het door de beroemde fysioloog Claude Bernard gedefinieerde ‘terrain’ te karakteriseren. Binnen het hiervoor uitgewerkte concept vormen deze waarden een goede afspiegeling van het basisbioregulatiesysteem.

Apparaat voor Meridiaanidentificatie (AMI). De Japanner Hiroshi Motoyama ontwikkelde rond 1965 een apparaat dat de elektrische activiteit van de huid op de beginen eindpunten van de 14 hoofdmeridianen kan meten. Daartoe worden 28 elektroden op de begin- en eindpunten geplaatst en een referentie-elektrode op elke pols. Vervolgens wordt op elk van die elektroden gedurende 250 milliseconden een 3 volts gelijkspanning impuls gegeven. De maximale stroom wordt BP (before polarization) genoemd. De APC (after polarization) is de stroomwaarde nadat polarisatie is opgetreden. Met name de BP- waarde geeft een indruk van de energiestroom in de meridiaan. Daarnaast zouden deze metingen ook een beeld geven van het autonome zenuwstelsel en het basisbioregulatiesysteem. Hoewel de drie hierna volgende methoden geen vormen van bio-elektrische diagnostiek zijn, worden ze op deze plaats vermeld omdat ze goed aansluiten bij de opvattingen zoals die genoemd zijn over het basisbioregulatiesysteem.

Leucocytolyse. Bij deze test wordt gelet op veranderingen van celtypen in het losse bindweefsel door een stimulus (Elpimed, Factor M). In het bijzonder wordt hierbij op de degeneratie van leukocyten gelet. Elpimed is een in het lichaamsserum opgewekte stof die wordt gevormd na beschadiging of ontsteking en die onder andere verantwoordelijk is voor de migratie van leukocyten vanuit bloedvaten naar het ontstoken bindweefsel. Aangenomen wordt dat Elpimed inwerkt op het reticulo-endotheliale deel van het losse bindweefsel en dat de mate van gedragsbeïnvloeding van de leukocyt de toestand in dit systeem weergeeft. Hiermee wordt inzicht verkregen in de afweervaardigheid van het organisme. In een normaal reagerend systeem moet het aantal leukocyten in het eerste uur na de toediening (injectie) sterk zijn gedaald. Na drie uur dient dan geheel of gedeeltelijk herstel te zijn opgetreden.

C.E.I.A. De afkorting staat voor Centre Européen d’Informatique et d’Automation. Het betreft hier een aantal laboratoria die serumanalyses doen op 50 parameters. Men gaat uit van de gedachte dat in het serum pathologische veranderingen meetbaar zijn. De uitslag van de serumanalyses wordt vergeleken met het actieprofiel van verschillende therapeutische middelen op de serumparameters. Op grond van vergelijking van pathologisch veranderde serumanalyses en de actieprofielen van deze middelen wordt een therapeutisch advies gegeven in de vorm van fytotherapeutica of homeopathische middelen.

Fiche Reticulo-Endotheliale Différentiële (FRED). Deze curve is genoemd naar de twee grondleggers dr. Y. Augusti en dr. A. Vernes. Men ontdekte dat bepaalde serumeiwitten bij verschillende zuurgraad volgens een specifiek patroon neersloegen. Een afwijking in deze curve bleek samen te hangen met bepaalde ziektetoestanden. Om de uitkomst beter te kunnen vergelijken kwam Augusti op het idee de normale curve te herleiden tot een rechte lijn. Afwijkingen van deze lijn konden vervolgens worden geïnterpreteerd als bepaalde ziektetoestanden. Deze curve noemt men de fiche reticulo-endotheliale différentiële.

Er zijn nog vele andere bio-elektrische diagnostiekvormen in omloop of in omloop geweest. Voor de Kirlian-diagnostiek, zie het hoofdstuk Paranormale geneeskunde, voor het vasculair autonoom signaal (VAS) zie het hoofdstuk Auriculotherapie. Voorbeelden van vormen die hier niet ter sprake komen zijn: biotonometrie, rythmogram, elektrodermatogram, acugraph, neo-bio-elektronica, elektromagnetische bloedtest, akutesmatic, hoogfrequent-elektrografie. 



Contact