Natuurgeneeskunde

Een ziekte als stoornis 

De natuurgeneeskundige gaat ervan uit, dat er nooit sprake is van één ziek orgaan, maar dat ziekte een stoornis in het gehele lichaam betekent. Men spreekt dan ook, zowel wat betreft de diagnose als de therapie, over een totale benadering van de patiënt. Voor de diagnose houdt dit in, dat de natuurgeneeskundige zich een beeld vormt van de vitale krachten die de zieke in de strijd tegen zijn lijden bezit. Deze benadering van de diagnostiek brengt vaak de diepere oorzaak van de ziekte naar voren. Op basis hiervan kan de natuurgeneeskundige door zijn behandeling zelfgenezingstendensen (vitale krachten van de natuur) op de juiste wijze ondersteunen. Bij de diagnostiek wordt veel aandacht besteed aan anamnese en lichamelijk onderzoek. De intensiteit waarmee zowel de anamnese als lichamelijk onderzoek worden uitgevoerd, is vergelijkbaar met de diagnostiek van artsen in de tijd dat men nog niet de beschikking had over laboratoriumonderzoek, röntgenapparatuur en dergelijke. Bij het onderzoek wordt in het bijzonder gelet op lichaamshouding, kleur en aspect van de huid, stemgeluid, ademhaling, oogopslag en de conditie van de spijsverteringsorganen. Sommige natuurartsen en natuurgenezers onderzoeken urine en ontlasting. Naast de tot nu toe genoemde diagnostiek maakt men gebruik van de volgende diagnostische mogelijkheden:

Iriscopie. Het stellen van diagnoses aan de hand van bepaalde tekens in de iris 

Tongdiagnostiek. Dit is het stellen van de diagnose aan het uiterlijk van de tong 

Chirologie (cheir = hand, logos = kunde) is handkunde, waartoe ook de nagels worden gerekend. Chirologie omvat chiromantie (handlijnkunde) en chironomie (waarbij de nadruk op de vorm van de hand wordt gelegd). De handkunde wordt als diagnostische methode naast andere methoden gebruikt. De chiroloog kan op basis van kenmerken van de hand een beeld krijgen van de karakterstructuur van een bepaald persoon. Tevens kan de chiroloog op grond van deze kenmerken een analyse maken van de gezondheidstoestand van de patiënt. Men kan aan de handen aflezen: erfelijke afwijkingen die voor een bepaalde dispositie zorgen, aangeboren afwijkingen (geboortetraumata) en verworven afwijkingen. In het lijnenpatroon van de hand kunnen aanwijzingen worden gevonden voor de diagnose. Bepaalde vervormingen van de handlijnen, breuken, eilanden en dergelijke vormen daarvoor de aanknopingspunten. Ook wordt er in dit verband gelet op de capillairlijnen van de handpalmen en de vingertoppen. Erfelijke disposities op de linkerhand wijzen op de moederlijke generatie, die in de rechterhand op de vaderlijke generaties. Karakterologisch toont de linkerhand de aangeboren eigenschappen van de eerste levenshelft (tot dertig jaar). Vorm en tekening van de rechterhand geven een beeld van de volwassene. De diagnostische kenmerken van de nagels zijn ook in de allopathie bekend. Bijvoorbeeld de ‘horlogeglasnagels’ bij etterige processen in de longen en de ‘lepeltjesnagels’ bij sommige vormen van anemie. De chiroloog hanteert een veel meer gedetailleerde beoordeling van de nagels. Naast vorm en welving zijn ook de consistentie, de pigmentatie en verkleuringen van diagnostische betekenis. Chirologie wordt soms verward met grafologie (wetenschap van het handschrift). Grafologie gaat, zoals het woord zegt, over de diagnostische kenmerken die uit het handschrift kunnen worden gehaald.

Grafologie. Deze vorm van diagnostiek wordt zelden toegepast bij de diagnostiek van somatische afwijkingen. Er zijn enige specifieke gegevens bekend over het handschrift bij de ziekte van Parkinson, bij tuberculose, bij kanker en bij hartklachten. Wel kan het handschrift worden gebruikt als diagnosticum bij karakter- en persoonlijkheidsanalyse.

Tenendiagnostiek. Deze vorm van diagnostiek komt weinig voor in de natuurgeneeskunde. Volgens aanhangers van tenendiagnostiek heeft elke teen een specifieke betekenis. Zo is er een creativiteitsteen, een angstteen, een liefdesteen, een vertrouwensteen etcetera. Bij elke teen hoort een element: aarde, water, vuur, lucht en ether. De tenen zijn ook het begin- en eindpunt van de meridianen. Ook zou men aan de vorm en de stand van de tenen kunnen zien hoe lichaam en geest functioneren.

Fysiognomie. Hieronder wordt verstaan de uiterlijke verschijning van de mens als uitdrukkingsvorm van het innerlijk wezen. Men beperkt zich daarbij meestal tot de uiterlijke verschijning van het gelaat. In de grondvorm van het menselijk gelaat komt de grondtoon van het wezen van de mens tot uitdrukking. Men let onder andere op de ligging en de vorm van de oren, mond, neus en wenkbrauwen, op de bouw van het hoofd en de kaken, op de beweeglijkheid en het uitdrukkingsvermogen van het gezicht en op vele andere kenmerken. Veelal kan men zich op grond van de fysiognomische kenmerken een beeld vormen van de psychische toestand van de patiënt. Deze inzichten bepalen dan mede de uiteindelijke diagnose die men stelt. In het Westen heeft de fysiognomie vooral bekendheid gekregen door het werk van Huter, Fleck en Zittlau. 

Buikdiagnostiek. Deze vorm van diagnostiek is ontwikkeld door Mayr. Behalve een specifiek, zeer minutieus uitgevoerd onderzoek van de buik wordt de ontlasting onderzocht en wordt de conditie van de spijsverteringsorganen onder meer beoordeeld op grond van de lichaamshouding en het aspect van de huid.

Haaranalyse. Haaranalyse, ook wel ‘mineral’ test genoemd, is een diagnostische laboratoriumbepaling, die wordt uitgevoerd ter verkrijging van een mineralenstatus. Men gaat uit van de gedachte, dat net zoals een vitaminetekort kan leiden tot allerlei klachten en afwijkingen, dit ook het geval is voor een mineralentekort in ons lichaam. Een tekort van een bepaald mineraal kan uiteenlopende klachten geven. Een gebrek aan bijvoorbeeld koper kan zich uiten in anemie, oedeem, osteoporosis en huidafwijkingen. Een gebrek aan mangaan kan zich uiten in diabetes, multiple sclerose, astma, nervositeit, epilepsie, allergieën en vermoeidheid. Zo past bij elke mineraaldeficiëntie een hele rij klachten. Niet alleen mineraaltekorten kunnen resulteren in klachten, ook een teveel van een bepaald mineraal of aanwezigheid van een mineraal dat normaal niet in het lichaam thuishoort, kan leiden tot afwijkingen. In het bijzonder milieuverontreiniging kan toxische waarden van bepaalde mineralen veroorzaken. In daartoe gespecialiseerde laboratoria kan men onderzoek laten doen naar enkele tientallen mineralen. Meestal gaat het om de mineralen: calcium, magnesium, natrium, kalium, chromium, mangaan, ijzer, zink, koper, fluor, fosfor, jodium, kobalt, lood, kwik en cadmium. Onderzoek naar het gehalte aan mineralen kan plaatsvinden aan de hand van bloed, urine, nagels of haren van de patiënt. Meting van mineralen in bloed of urine geeft de toestand weer op een bepaald moment. Haaranalyse geeft een beeld van het mineralengehalte van het lichaam over langere termijn. Haren bestaan immers uit afgestoten cellen, die niet meer van samenstelling veranderen. Voor de analyse gebruikt men achterhoofdshaar, dat het dichtst bij de huid zit. Het haar mag niet verder dan vier centimeter van het hoofd verwijderd zijn. Er zijn in Nederland twee laboratoria die haaranalyses verrichten.

Haarddiagnostiek. Bepaalde plaatsen (littekens, ontstekingen e.d) kunnen als stoorveld van het autonome zenuwstelsel functioneren en daardoor klachten veroorzaken. Het opsporen van deze haarden gebeurt onder andere door het inspuiten van Impletol. 

HLB-bloedtest. Deze test is voor het eerst beschreven door de Duitse arts Henri Heitan (hij noemde het de microfotobloedtest) en verder ontwikkeld door Lagarde en de Amerikaanse ingenieur Bradford. Vandaar de naam HLB-test. Bij deze vorm van diagnostiek bestudeert men de vorm en het patroon welke ontstaan na het laten indrogen van een druppel bloed (HLB-bloedtest) of serum (serumdroogmethode). Het bloed wordt vervolgens onder een speciaal ontworpen fase-contrastmicroscoop bekeken. De bloedcellen worden beoordeeld op kleur, doorzichtige gaten, necrotische materialen, de poreusheid en andere pathologische condities van de cellen. Voorts wordt ook veel aandacht besteed aan aard en kwaliteit van het fibrinestelsel. Door het observeren van het ontstane patroon na bloedopdroging (er ontstaat dan een specifiek breukenpatroon) kan men aanwijzingen zien welke lichaamsfuncties zijn gestoord. Op grond van de microscopische beelden, die worden vastgelegd op foto’s, kunnen uiteenlopende pathologische condities worden ontdekt: allergieën, virale infecties, tuberculose en kanker. In het bijzonder bij het opsporen van kanker heeft deze test bekendheid gekregen. Verder is het mogelijk met dit bloedonderzoek voor- of achteruitgang van de ziekte te zien en resultaten van (niet-toxische) therapieën te volgen.

Multitest van Merieux. De multitest ziet eruit als een soort stempel waarbij op acht plaatsen een vloeistof is aangebracht. Op zeven van deze plaatsen bevindt zich een zogenaamd recall antigeen, verzwakte bacteriën waarmee de mens in het algemeen heeft kennisgemaakt. De gebruikte bacteriën zijn: tetanus, difterie, streptococcen, tuberculine, candida, trichophyton en proteus. De achtste vloeistof is een controlevloeistof. De multitest is een huidtest voor de meting van de cellulaire immuniteit. Bij contact met de vloeistoffen zal het lichaam bepaalde geheugencellen tegen deze bacteriën ontwikkelen en er zal een zwelling ontstaan. De doorsnee van de zwelling die de huid na achtenveertig uur geeft, beschouwt men als maat voor de cellulaire immuniteit. Wanneer de zwellingen op de zeven plaatsen bij elkaar opgeteld bij mannen onder de tien millimeter en bij vrouwen onder de vijf millimeter zijn, spreekt men van een onderreactie. Dit betekent een geringe immuniteit, dus een lage weerstand tegen ziekten.

Polsdiagnostiek. Aan de hand van de verschillende golven van de arteria radialis kunnen gegevens worden verkregen over bepaalde organen en orgaansystemen (zie hoofdstuk Acupunctuur). Ook met elektro-acupunctuur kan men diagnostische gegevens verzamelen. 

Medisch-astrologische diagnostiek. Ook hiermee kan men met behulp van een horoscoop diagnostische gegevens verzamelen (zie hoofdstuk Medische astrologie). Elke therapeut maakt een keuze uit deze mogelijkheden voor diagnostiek. Meestal is men goed onderlegd in één of twee van deze diagnostische technieken. Buikdiagnose volgens Mayr en haarddiagnostiek worden vrijwel alleen door natuurartsen toegepast; chirologie, tongdiagnostiek en fysiognomie vrijwel alleen door niet-artsen. De overige technieken worden door beide groeperingen in praktijk gebracht. In de reguliere geneeskunde is sprake van het ordenen van ziekten (nosologie). Iemand die zich ziek voelt, krijgt na de diagnostische procedure te horen om welke ‘ziekte’ het gaat. Ook in de natuurgeneeskunde werkt men wel met deze indeling in ziekten. Men kent er echter een andere betekenis aan toe dan in de reguliere geneeskunde. In de natuurgeneeskunde legt men een sterk accent op de betekenis van de ziekteverschijnselen als representanten van een evenwichtsverstoring. De diagnostische procedure is dan ook niet gericht op het ontdekken van de ziekte; het gaat er vooral om te doorzien wat de achtergrond en context is, waarbinnen de klachten zijn ontstaan. 



Contact