Oosterse geneeskunde

In de oosterse geneeskunde beschikt men over een groot aantal diagnostische mogelijkheden. Alle vormen van diagnostiek zijn gericht op het verkrijgen van inzicht in de balans tussen yin en yang en haar gevolgen voor de levensenergie chi.

Observeren

Allereerst probeert de geneeskundige een indruk te krijgen van het lichaam in zijn geheel. Daarbij is er aandacht voor de vorm van het lichaam (klein, groot, dik, dun), de houding (rechtop, gebogen), de bewegingen (snel, langzaam, coördinatie), de toestand van de huid (droog, oedemateus), het gedrag (rustig, agressief, in de war). Daarna zal de geneeskundige aandacht besteden aan specifieke delen van het lichaam. Met name wordt gekeken naar het hoofd, het haar, de neus, de ogen, de mond, de lijnen van de handen en de nagels. Al deze lichaamsdelen kunnen niet alleen wijzen op plaatselijke problemen, maar zijn vooral een weerspiegeling van de toestand waarin de ermee corresponderende inwendige functies verkeren. In de Chinese diagnostiek is vooral de observatie van de tong belangrijk. De tong kan worden onderverdeeld in zones die overeenkomen met verschillende inwendige organen. Een verandering van vorm of kleur wijst op een verandering van het met die zone corresponderende orgaan. Ook het vragen naar uitscheidingsproducten (slijm, braaksel, urine, ontlasting) behoort tot dit onderdeel van de diagnostiek.

Luisteren en ruiken

De geneeskundige luistert naar de stem van de patiënt. Zo duidt een luide stem op een overschot aan energie, veel praten op hitte en heesheid op wind. De geur van de ademhaling verschaft informatie over hitte, koude en damp, maar ook over verschillende functionele stoornissen. Zo wijst de geur van ranzige boter op een leverstoornis en een weeïge, bedorven lucht op een longafwijking.

Anamnese

Zoals in elk medisch systeem is het ondervragen van de patiënt ook in de Chinese geneeskunde een belangrijke bron van informatie. In de TCM stelt men 10 + 2 vragen aan de patiënt. Het is een soort tractus anamnese waarbij men vraagt naar: koorts (koud of warm), zweten, pijn, eetlust, stoelgang, mictie, dorst, gehoor, visus, slaap, palpitaties, duizeligheid. Voor vrouwen en kinderen zijn er nog aparte vragen. Tevens worden vragen gesteld over emotionele aspecten en er wordt geïnformeerd hoe de patiënt reageert op klimaatomstandigheden.

Onderzoek/palpatie

Het lichaam aanraken voor medisch onderzoek is niet overal zo vanzelfsprekend als wij in het Westen denken. In China was het in de Qing-periode (de 19e eeuw) verboden het lichaam van de patiënt te onderzoeken. De pols was het enige lichaamsdeel dat voor diagnostiek beschikbaar was. In de huidige TCM is lichamelijk onderzoek een belangrijk element in het diagnostisch proces. Men onderzoekt thermale zones. Een hogere of lagere lichaamstemperatuur van een bepaald gebied kan een indicatie zijn voor een meridiaanstoornis.

Ook de wervelkolom wordt onderzocht. Over en naast de wervels loopt de gouverneuren de blaasmeridiaan. Onderzoek van dit gebied geeft belangrijke informatie van inwendige organen en hersenen. Met name kan inzicht worden verkregen in mentale processen en psychische stoornissen.

Voorts onderscheidt men op thorax en buik zogenaamde ashi-punten of alarmpunten. Als de energie van een orgaan is verstoord, worden deze punten gevoeliger door druk. De soort pijn en de reactie op druk zijn bepalend voor de aard van de storing. Ook op andere plaatsen van het lichaam kunnen alarmpunten liggen. Voor meer informatie zie verder bij drukpuntmassage. Op de buik en de thorax bevinden zich behalve alarmpunten ook reflexzones die informatie verschaffen over inwendige organen. De geneeskundige onderzoekt de zones op temperatuur, pijn, elasticiteit, pulsaties, verkleuringen en beharing.

Met behulp van bovenstaande diagnostische technieken krijgt de beoefenaar van TCM een beeld van het dynamische evenwicht van het menselijk organisme. Om de verschillende patronen van dit evenwicht te beschrijven maakt men gebruik van de zogenaamde ‘acht principes’. Dit zijn vier paren kenmerken, die onderling en wederkerig afhankelijk zijn. Deze kenmerken zijn: yin en yang, intern of extern, koude of hitte en deficiëntie of overschot/exces. Meestal beschrijft men de energetische balans van de patiënt met een combinatie van deze kenmerken. Zo is buikpijn meestal excessieve koude, griep externe hitte en verkoudheid externe koude.

De diagnostische informatie wordt na het toepassen van de acht principes gekoppeld aan de organen oftewel zang-fu. In de zang-fu treden de volgende patronen op: chi-deficiëntie, yang-deficiëntie, bloed-deficiëntie, koude-damp, damp-hitte enzovoort. Zo ontstaan namen als: een hart-chi-deficiëntie, nier-yin-deficiëntie, damp-hitte in de lever etcetera. Vaak zijn er combinaties van patronen en meestal gaat het bij een patiënt om meerdere disharmonieën. 



Contact