Homeopathie

De drie principes van homeopathie 

De homeopathie kent drie principes: a. onderzoek naar de werking der geneesmiddelen op de gezonde mens; b. toepassing van de regel ‘similia similibus curentur’ op ziekten die door inwendige geneesmiddelen kunnen worden genezen; c. toediening van het geneesmiddel in zulk een kleine hoeveelheid, dat daardoor geen schadelijke werking kan worden veroorzaakt.

Ad a. Bij het geneesmiddelenonderzoek is de geneesmiddelenproef op de gezonde mens het belangrijkste. Voorwaarden voor een goede proef zijn: men moet uitgaan van een zuivere substantie; de proefpersoon moet volledig gezond zijn; de omstandigheden waarin de proefpersoon verkeert, mogen niet worden veranderd. Als het onderzoek onder de nauwgezet omschreven bepalingen wordt uitgevoerd, is de proef volledig onschadelijk. Elke proefpersoon moet dagelijks een rapport bijhouden van afwijkingen van de voor hem geldende norm. Elke verandering, hoe gering ook, dient te worden gerapporteerd. Dit geldt zowel voor somatische als voor psychische veranderingen. Ook wijzigingen in voedings- en leefpatroon dient men te vermelden. Nog altijd gaat men door met geneesmiddelenproeven. Zowel bekende als onbekende zuivere substraten worden onderzocht. Zo verkrijgt men een steeds volmaakter beeld van de symptomen die passen bij een bepaald middel. Bovendien breidt het homeopathisch geneesmiddelenarsenaal zich steeds verder uit. Het totaal aan symptomen dat door een bepaald middel bij de gezonde proefpersoon kan worden opgewekt, noemt men het ‘geneesmiddelenbeeld’ van die stof. Er zijn meer dan 2000 geneesmiddelenbeelden beschreven in de verschillende Materiae Medicae. Veel homeopathische artsen hebben deelgenomen aan een geneesmiddelenproef. Maar ook leken hebben bijgedragen aan de onderzoekingen. Dit was vooral belangrijk voor de gebruikte uitdrukkingen bij het beschrijven van de ervaringen.

Ad b. De toepassing van ‘similia similibus curentur’ (het gelijksoortige wordt door het gelijksoortige genezen) is fundamenteel voor de homeopathie. Er moet een gelijkenis bestaan tussen het te behandelen ziektebeeld en het intoxicatiebeeld van het te kiezen middel. Een voorbeeld is het gebruik van arsenicum bij cholera. Toevallige en opzettelijke vergiftigingen bij de mens veroorzaken een ziekte die in haar verschijnselen sterke overeenkomst toont met de Aziatische cholera. Deze overeenkomst is zelfs zo sterk, dat de acute arsenicumvergiftiging en cholera zeer moeilijk zijn te onderscheiden. Ook pathologisch-anatomisch zijn de darmbeelden niet te differentiëren. Op deze gelijkenis berust de aanwending van arsenicum bij cholera volgens de similiaregel. Door een speciale bereidingswijze wordt de stof die bepaalde syndromen kan opwekken bij een gezond individu, geneesmiddel van gelijke syndromen bij een ziek individu.

Ad cHet derde fundament waarop de homeopathie rust, is het gebruik van sterk verdunde geneesmiddelen. Hahnemann zag in de praktijk, dat het gelijkende middel bij een normale dosering een verergering van de klachten gaf te zien. Deze verergering schreef hij toe aan het feit dat een adequate stimulus een intensivering geeft van de verdedigingsprocessen van het lichaam. Daarom verlaagde hij langzamerhand de dosering door steeds verder te verdunnen en onderzocht hij het gevolg. Het bleek dat het gelijkende middel het beste werkte wanneer het in een geringe dosis werd gegeven. Men neemt aan, dat het afweermechanisme dan amper wordt gestimuleerd, zonder dat er verergeringsverschijnselen optreden. Geneesmiddelen die in grote doses op gezonde mensen een zekere inwerking hebben, hebben op zieke organismen reeds hun effect in een zeer geringe dosering. De dosis of prikkel bij homeopathisch gebruik van het middel is te klein om de in evenwicht zijnde processen in het gezonde organisme uit balans te brengen; dezelfde prikkel werkt wel in op processen in het organisme welke onstabiel zijn. Daar de patiënt voor het juiste middel dus extra gevoelig is, kan de dosis zeer gering zijn. 

De ruggengraat van homeopathie 

Overigens noopt de aard van vele stoffen al tot kleine doseringen. Onoplosbare stoffen als kwarts (silicea) of kool (carbon) zal men eerst moeten verwrijven en colloïdaal oplossen voordat ze bruikbaar zijn als geneesmiddel. De drie bovengenoemde principes vormen de ruggengraat van de homeopathie. Nog niet ter sprake is het zogenaamde constitutietype geweest. Het is een begrip dat steeds weer terugkomt bij het stellen van een diagnose. Bij de geneesmiddelenproeven blijkt, dat een bepaalde groep proefpersonen veel gevoeliger is voor stof X dan de rest van de deelnemers. Voor een andere stof blijkt een andere groep mensen extra gevoelig. Deze personen lijken constitutioneel voorbestemd om sterk te reageren op een bepaald middel. Bij nader onderzoek blijken er tussen mensen die voor hetzelfde middel gevoelig zijn, overeenkomsten te bestaan wat betreft hun reactie op ziekten. Bepaalde personen, herkenbaar aan hun totaal van psychische en lichamelijk aangeboren of verworven eigenschappen, hebben blijkbaar affiniteit tot een bepaald homeopathisch middel. Op grond van deze overeenkomsten zegt men dat deze mensen tot een bepaald constitutietype behoren. Van een aantal geneesmiddelen, onder andere sulfur en lycopodium, is bekend, dat ze in sterke mate inwerken op een bepaalde groep mensen. Zo spreekt men over het ‘sulfurtype’ en het ‘lycopodiumtype’. Sulfur en lycopodium noemt men constitutiemiddelen. Constitutiemiddelen zijn vooral van belang bij chronische ziekten. 



Contact