Kuuroorden/hydrotherapie

Factoren die de werkzaamheid van de behandelingen bepalen 

De belangrijkste behandelingsvorm in kuuroorden is hydrotherapie. Bij de toepassing van de hydrotherapie is er een aantal factoren, welke de werkzaamheid van deze behandelingsvorm bepalen. Deze zijn:

De temperatuur. Er wordt in de hydrotherapie gebruikgemaakt van warm en koud water, waarbij onder warm wordt verstaan: warmer dan het huidoppervlak en onder koud: kouder dan het huidoppervlak. De mens ervaart koud en warm als er verschil is tussen de temperatuur van de huid en de toegevoerde warmte. Het waargenomen temperatuurverschil hangt ook af van de warmtegeleiding van het omringende medium. Zo is water een betere geleider dan lucht. Het lichaam wordt dan ook sneller warm in een warm bad dan in warme lucht van dezelfde temperatuur als het badwater. Elke warmtegeleider heeft een bepaald temperatuurgebied, waarin zijn temperatuur niet als koud en niet als warm wordt ervaren. Dit temperatuurgebied heet het ‘indifferentiegebied’. Bij deze temperatuur is er geen sprake van een thermische werking op het lichaam. Het indifferentiegebied van het menselijk lichaam voor water ligt tussen de 34°-36°C en voor lucht tussen 22°-32°C. Er treden dan geen vaatreacties op.

De hydrostatische druk. De druk die het water samen met de luchtdruk op het lichaam uitoefent, heeft invloed op de verschillende lichaamsfuncties. De waterdruk verandert de bloedverdeling in het lichaam. De bloedverdeling is ook afhankelijk van het feit of de patiënt zich geheel of gedeeltelijk in het water onderdompelt. Als de patiënt zich volledig (tot aan de hals) onder water bevindt, heeft dit zijn repercussies op de werking van het hart. In deze situatie bevordert de waterdruk ook de uitademing. Daar de hydrostatische druk een lichte compressie van de oppervlakkige vaatjes (capillairen, kleine venae en arteriae) veroorzaakt, kan een patiënt die te snel uit een warm bad stapt een collapsneiging vertonen. Dit wordt veroorzaakt doordat de hydrostatische druk plotseling ophoudt te bestaan (de vasocompressie wordt opgeheven), terwijl de werking van warmte blijft doorgaan (vasodilatatie blijft bestaan). Daardoor wordt het bloed te veel naar de periferie gevoerd en ontstaat een tekort in de vitale organen.

De opwaartse druk. Volgens de Wet van Archimedes verliest elk lichaam gedompeld in een vloeistof schijnbaar zoveel gewicht als het gewicht van de door het lichaam verdrongen vloeistof bedraagt. Daar de mens voor het grootste deel uit water is opgebouwd, weegt hij niet veel meer dan het verplaatste water. Wanneer hij, zoals bij het zwemmen gebeurt, voldoende lucht inademt, is hij in evenwicht met het water en blijft hij drijven. Er bestaat dus een relatieve vermindering van de zwaarte van het lichaam. Dat betekent, dat de krachten om het lichaam te bewegen sterk zijn gereduceerd. Voor een verlamde arm bedraagt dit 1/10 van de krachten die nodig zijn wanneer de patiënt door lucht is omgeven. De kracht nodig voor het bewegen (tegen de zwaartekracht in) is in zout water nog sterker verminderd. Bij de onderwatergymnastiek wordt van deze opwaartse druk van water gebruikgemaakt.

De wrijvingsweerstand. Bij het bewegen door het water is er een bepaalde wrijvingsweerstand. Deze is afhankelijk van de snelheid waarmee de beweging wordt gemaakt en van het aangrijpingsvlak van het bewegende deel. In de hydrotherapie gebruikt men deze wrijvingsweerstand om paretische spieren te oefenen.

Mechanische factoren. Bij het stimuleren van de huid kan men behalve van de temperatuurprikkel ook gebruikmaken van mechanische factoren, zoals het wrijven van de huid, het borstelen van de huid of waterapplicatie door een waterstraal. De mechanische prikkels stimuleren de doorbloeding van de huid en ze maken de huid los (zie ook bindweefselmassage).

Chemische factoren. Op twee manieren kunnen chemische factoren inwerken op het lichaam. Allereerst kunnen de aan het water toegevoegde stoffen lokaal inwerken op de huid. Deze wordt daardoor beïnvloed en geeft de veranderingen reflectorisch door aan andere lichaamsdelen. Er kan hierbij ook een uitwisseling plaatsvinden van stoffen uit de huid naar het water. De tweede wijze waarop chemische factoren hun invloed kunnen hebben, is doordat de stoffen in de huid doordringen en in het bloed worden opgenomen en zo naar de rest van het lichaam worden vervoerd. Voorbeelden van dit soort stoffen zijn: zouten, zwavel, koolzuur en zuurstof. Deze substanties worden vaak in combinatie met elkaar toegepast in de natuurlijke badplaatsen, maar ook kunstmatig in verschillende geneeskrachtige baden. De fysiologische effecten van de verschillende prikkels op het lichaam bepalen de therapeutische mogelijkheden van de waterbehandeling. Daarom eerst hier meer informatie over.

De lichaamstemperatuur. Het lichaam bezit een warmteregulatiesysteem dat ervoor zorgt, dat de lichaamstemperatuur op een bepaald niveau blijft. Bij oververwarming van het lichaam van binnenuit (bijvoorbeeld door koorts) of van buitenaf (oververwarmingsbaden), zal het warmteregulatiemechanisme proberen de lichaamstemperatuur tot het normale niveau terug te brengen. Dit gebeurt onder andere door het zweten. Bij sterke afkoeling treedt hetzelfde mechanisme in werking door de warmteproductie op te voeren door een verhoogde stofwisseling en door spierarbeid (bibberen) op gang te brengen. De inwerking van warmte en koude via het water heeft dus invloed op de stofwisselingsprocessen.

De vaatreacties. Er zijn twee stadia te onderscheiden in de reactie van het lichaam op temperatuurprikkels. Het eerste stadium bestaat uit een vaatreactie, het tweede uit een reflexogene werking, die via het zenuwstelsel verder verwijderde weefsels en organen beïnvloedt. In het algemeen kan men zeggen, dat de bloedvaten zich verwijden na een warmteprikkel en dat er een vasoconstrictie optreedt na een koudeprikkel. Wanneer de warmteprikkel snel wordt toegediend, ontstaat in het gezonde vaatsysteem eerst een vasoconstrictie, waarna secundair een vasodilatatie optreedt. Dit leidt tot een toename van de weefseldoorbloeding en een zogenaamde capillarisatie, een ontsluiting van rustende capillairgebieden. Bij het langer bestaan van de warmte-inwerking treedt er verslapping van de vaattonus op, hetgeen een sterke hyperemie oproept en een volumetoename van het desbetreffende lichaamsdeel. De prikkelbaarheid van de motorische zenuwen en de spiervezels neemt af. Koudeprikkels die plotseling worden toegediend, geven hetzelfde effect als plotselinge warmteprikkels, namelijk vasoconstrictie. Deze vaatkrampen houden echter langer aan dan bij warmteprikkeling. Na enige tijd ontstaat vaatverwijding met hyperemie, gepaard gaande met een warm gevoel. Als de koude langer blijft aanhouden, trekken de vaten zich opnieuw samen en de huid wordt blauw; men krijgt het koud.

Invloed op diepere structuren. Vroeger veronderstelde men dat de temperatuursinvloeden door geleiding werden overgebracht naar de inwendige organen. Gezien de snel optredende reacties van de inwendige organen op thermische prikkeling gaat men er nu van uit, dat deze invloed via reflexen, dus via de zenuwen gebeurt. Deze opvatting verklaart eveneens de mogelijkheid, door prikkeling van bepaalde huidgedeelten bepaalde organen te beïnvloeden. Dat idee vindt men ook terug in de bindweefselmassage.

De regel van Hauffe. Tot nu toe is steeds de plaatselijke behandeling van de huid met warmte en koude ter sprake geweest. Bij het aanwenden van gelijkmatige verwarming van het gehele lichaam zullen zich alle oppervlakkige vaten verwijden. Het bloed loopt naar de periferie. Daar het lichaam over een vaste hoeveelheid bloed beschikt, betekent dit, dat dieper gelegen delen van het lichaam over minder bloed beschikken. Hoe sterker en hoe langer het lichaamsoppervlak wordt verwarmd, des te minder bloed zal er overblijven voor de inwendige organen. Deze laatste zullen hun bloedvaten moeten vernauwen, wil er geen discrepantie ontstaan tussen vaatvolume en vaatinhoud. Gebeurt dit niet, dan collabeert de patiënt. Ook bij koudeapplicaties geldt een dergelijk mechanisme, echter nu omgekeerd. De dieper gelegen vaten zullen zich moeten aanpassen aan de vergrote hoeveelheid aangeboden bloed en zij zullen zich moeten verwijden. Hauffe formuleerde de volgende regel: elk van de twee aangegeven gebieden (intern en perifeer) reageert steeds op dezelfde manier, doch tegengesteld aan het andere gebied.

Hartfunctie en bloeddruk. Verschuivingen van bloed naar de periferie of naar de diepere structuren eisen een goede hartfunctie, aangezien verschuivingen van de bloedmassa veranderingen in de stroomsnelheid en de vaatweerstand opleveren. Plaatselijke warmteapplicatie beïnvloedt het hart nauwelijks. Plaatselijke toepassing van koude werkt rustgevend op de hartactiviteit. Algemene warmtetoevoer (volbad, dampbad) geeft een polsversnelling. Algemene toevoer van koude (koud volbad) verlangzaamt de hartactie. Bij hartpatiënten dient men dan ook voorzichtig te zijn met volbaden en met flink koude of warme baden. De bloeddruk verandert eveneens bij het toepassen van de watertherapie. Matig warme baden doen de diastolische druk dalen (perifere vaatverwijding). Sterk verwarmde baden geven een verhoging van de systolische en diastolische tensie te zien. Koude baden geven ook een bloeddrukverhoging.

De verschillende organen. Koud water beïnvloedt de longfunctie. De inspiratie wordt dieper en duurt langer. Na enige tijd normaliseren de waarden van ademdiepte en ademfrequentie zich. Warmtetoepassingen geven aanvankelijk ook een diepere ademhaling. Na verloop van tijd wordt de ademhaling oppervlakkiger en de frequentie neemt toe. Op het maagdarmkanaal werkt warmte stimulerend. Is er sprake van toegenomen peristaltiek, koliekklachten en spasmen, dan werkt men met warme baden normaliserend. Zowel een plaatselijke als een algemene behandeling met warm water bevordert gedurende geruime tijd de urineproductie. Sterke verwarming vermindert de diurese. Kort durende afkoeling werkt stimulerend op de urineafscheiding. Het zenuwstelsel speelt een belangrijke rol bij de vaatreacties op de verschillende behandelingen. In het algemeen gaat men ervan uit, dat koudeprikkels vooral via de sympathicus worden vervoerd. Warmteprikkels worden via het parasympathische deel van het vegetatieve zenuwstelsel geleid. Langdurige matig warme volbaden werken ontspannend en rustgevend. Ze werken evenals langdurige koude baden stimulerend op de prikkelbaarheid van de musculatuur. Op sensibele zenuwen werken milde baden (37°) pijnstillend, te sterk verwarmde baden doen de pijn toenemen. De natuurgeneeskunde legt bij de hydrotherapie de nadruk op de uitscheiding van afvalstoffen via bepaalde organen. Waterbehandelingen kunnen slakken doen afvoeren via de zweetsecretie. Drinkkuren en darmspoelingen bevorderen de uitscheiding via de darm. De inhalatiekuren kunnen opgehoopte stoffen in het lichaam afvoeren via de ademhalingswegen. Het verklaringsmodel van de natuurgeneeskundige wat betreft het succes van de hydrotherapie zal dan ook vooral worden uitgelegd binnen de moderne humoraalpathologie. Kuuroorden sluiten meestal aan bij deze opvattingen. 



Contact