Kruidengeneeskunde

Oud behandelingsmethode 

De kruidengeneeskunde is duizenden jaren de voornaamste behandelingsmethode voor de zieke mens geweest. Vrijwel bij alle volkeren was een vorm van behandelen met planten bekend. Ongeveer 4800 jaar geleden stelde de Chinese keizer Sjen Noeng een farmacopee samen met 365 geneeskruiden. Ook de Soemeriërs, die rond 2300 voor Christus tussen Eufraat en Tigris woonden, maakten reeds medicijnen uit tijm, wilgen en dadelplanten. 

Plantaardige medicijnen

In de bibliotheek van de Assyrische koning Asoerbanipal was een kleitablet aanwezig, waarop 250 plantaardige medicijnen waren vermeld. De oude Egyptische tempels waren kruidencentra, waar onder het zingen van liederen en het reciteren van heilige spreuken geneesmiddelen uit kruiden werden bereid. De bekende priester-arts Imhotep schreef granaatappelwortels voor bij ingewandstoornissen en het sap van papaverzaad voor huilende baby’s (opiumeffect). In India in de ayurveda-geneeskunde waren ver voor onze jaartelling meer dan 700 geneeskrachtige planten bekend. De Grieken waren eveneens bekend met de heilzame werking van kruiden. Dioskorides (± 50 n.Chr.), die als militair arts diende onder Nero, schreef De Materia Medica Libri Quinque, de basis voor de kennis der kruiden gedurende vele eeuwen. Honderd jaar later schreef Galenus (131-200 n.Chr.), de bekende arts die in Rome zijn eerste praktijk had en lijfarts was van Marcus Aurelius, een boek over geneesmiddelen waarin hij de beschrijving gaf van 540 plantaardige, 180 dierlijke middelen en 100 middelen die niet van biologische oorsprong waren. Ook de Inca’s, Cheyennes en Azteken (Badianus-manuscript) waren bekend met geneeskruiden. 

Klooters en kruidengeneeskunde 

In de Middeleeuwen is de kruidengeneeskunde terug te vinden in de kloosters. De abdis Hildegard van Bingen (1098-1179) schreef een later vaak geciteerd werk: Physica sive subtilitatum diversum naturatum creaturatum, dat grotendeels op de werken van Galenus berust. Ook Albertus Magnus (1193-1280) heeft uitvoerige bijdragen geleverd aan de kruidengeneeskunde. Paracelsus (1493-1541) beoefende eveneens de kruidengeneeskunde. Hij poogde de kruiden te analyseren en de werkzame delen, geïsoleerd van de rest van de plant, aan de patiënt te geven. Bekende tijdgenoten van Paracelsus die boeken publiceerden op het gebied van de kruidengeneeskunde, zijn: Brunfels (Contrafayt Kreuterbuch, 1530), Bock (Neu Kreuterbuch, 1534), de Leidse hoogleraar Rembert Dodoens (1517-1586), die in 1554 zijn beroemde Cruydtboek uitgaf en Nicholas Culpepper, die in 1653 Complete Herbal publiceerde.

Na de Hervorming verdwenen de kruidentuinen bij de kloosters en werd het kweken van kruiden door apothekers overgenomen. In 1816 slaagde Sertürner erin, het eerste alkaloïd af te scheiden en te zuiveren (morfine uit opium). In 1820 bereidden Pelletier en Caventou kinine uit de kinabast en Posselt en Reimann isoleerden in 1828 nicotine uit tabak. Chemische en synthetische producten namen de plaats in van de geneeskruiden. De kruiden verloren steeds meer terrein ten voordele van de middelen die in de fabriek konden worden geproduceerd. De voordelen van de synthetische middelen waren duidelijk. De stoffen konden in zuivere vorm worden aangemaakt, waardoor de dosering naar wens kon worden gegeven. Kruiden zijn veelal moeilijker te bewaren dan chemicaliën. Bovendien is de productie van synthetische middelen niet afhankelijk van de oogst en kan een toename van de vraag veelal gemakkelijk door de industrie worden opgevangen.

Toch bleef de kruidengeneeskunde bestaan, zij het in bescheiden omvang. Na verloop van tijd werd ook duidelijk, dat de werking van de plant niet volledig vervangbaar was door een stof die chemisch overeenkomt met het werkzame bestanddeel van de plant. De Franse arts Henri Leclerc (1870-1955) maakte er een begin mee de kruidengeneeskunde te onderwerpen aan de natuurwetenschappelijke criteria. De aldus beschouwdevorm van geneeskunde noemde hij fytotherapie. De afgelopen vijftig jaar is de omvang van de wetenschappelijke literatuur op dit gebied, in het bijzonder in Frankrijk en Duitsland, sterk toegenomen. In deze landen, benevens in een groot aantal Oost-Europese landen, vormt de fytotherapie een belangrijk onderdeel van de reguliere geneeskunde. De situatie in ons land ligt anders. De chemische producten van de farmaceutische industrie beheersen vrijwel de gehele geneeskunde. Werd er rond 1800 in Noordwijk nog zeventig hectare met geneeskruiden beplant en werden er kruiden naar het buitenland uitgevoerd, thans zijn deze culturen vrijwel volledig verdwenen, met uitzondering van de kruidencoöperaties, die voornamelijk valeriaan en vingerhoedskruid leveren. De synthetisch gevormde producten hebben de markt overgenomen en de kruiden die nog worden gebruikt, worden ingevoerd, onder andere uit de Balkanlanden en Hongarije. Recent zijn er nieuwe initiatieven ontplooid voor het kweken van medicinale planten. In de Flevopolder en in Brabant worden weer vele hectaren met geneeskruiden geteeld. 

Nieuwe Amsterdamse apotheek 

In de Nieuwe Amsterdamse apotheek bestonden in 1795 van de enkelvoudige geneesmiddelen 326 uit plantaardige, 33 uit dierlijke producten en slechts 50 uit chemicaliën. De Nederlandse farmacopee, editie VIII (1979) beschrijft nog slechts 58 natuurproducten en daarnaast komen 270 organische substanties voor. De afgelopen jaren worden diverse monografieën voor plantaardige grondstoffen in de Europese farmacopee uit nationale farmacopees geïntegreerd. In Nederland zijn momenteel ongeveer 3500 farmaceutische spécialités op de markt. Nog slechts honderd daarvan bevatten plantaardige producten.

Op het ogenblik worden in Nederland kruiden door enkele (natuur)artsen voorgeschreven. Daarnaast gebruiken honderden natuurgeneeskundige therapeuten de kruidengeneeskunde als voornaamste therapie of als onderdeel van hun totale behandelingsplan. De laatste tijd lijkt de belangstelling voor kruiden zowel bij leken als bij werkers in de gezondheidszorg toe te nemen. 



Contact