Manuele therapie/geneeskunde

Osteopathie. Nadat de osteopaat een beeld heeft verkregen van de beweeglijkheid van gewrichten, schedelbeenderen, organen en hun onderlinge relaties start men meestal de behandeling van de bekkengewrichten. Daarna worden de schedelbeenderen en organen met manuele technieken behandeld. Bij de behandeling van wervels benadert men niet de gewrichten zelf maar de weke delen rondom het gewricht.

Manuele therapie systeem Van der Bijl. De behandeling dient erop gericht te zijn ieder gewricht zodanig te manipuleren, dat het overeenkomt met het grondpatroon: de voor ieder mens specifieke evenwichtssituatie waarin het optimaal functioneert. Dit betekent dat het ene gewricht gemobiliseerd moet worden terwijl een ander gewricht mogelijk meehelpt aan het grondpatroon wanneer het wordt gelaten in een toestand van bewegingsbeperking. Men is namelijk van mening dat een blokkering van een gewricht functioneel is, wanneer het overeenkomt met het grondpatroon. De therapie is erop gericht dat ieder botstuk zodanig wordt bewogen, dat het binnen de kinesiologische keten van het bewegingsapparaat vrijelijk en spanningsvrij kan functioneren. Er is dan een evenwicht tussen deformerende (zwaartekracht) en reformerende kracht (spieren, ligamenten). De manuele therapeut manipuleert het gehele skelet. De manipulatie vindt plaats door kleine repeterende schokjes. Men noemt dit de egg-shell-methode, om daarmee aan te geven, dat de behandeling zo zacht gebeurt, dat zelfs een eierschaal door de behandeling niet zou breken.

Manuele therapie systeem Sickesz. Dit systeem gaat ervan uit, dat in de wervelkolom in rust geen torsie in de voor-achteras of longitudinale as mag voorkomen. De behandeling is erop gericht dat de in de ruststand verkerende wervel met een lichte druk van de vinger wordt gemanipuleerd. Het doel daarbij is niet de stand van de wervel te corrigeren, maar het opheffen van de fixatie in het intervertebrale gewricht. Dit loszetten moet voor elke wervel en elke rib afzonderlijk gebeuren. Bij borst- en nekwervels gebruikt men de wijsvinger. Bij de lendenwervels de ulnaire pinkmuis, aangezien hier meer kracht voor manipulatie nodig is. Wat betreft de volgorde van dit ‘losmaken’ kan gezegd worden, dat deze onderhevig is aan strikte wetmatigheden. Bij elke patiënt wordt begonnen met het rechtzetten van het bekken (bij 40% van de gezonde mensen zou het bekken scheef staan, bij patiënten is dit percentage veel hoger). Daarna worden alle wervels en alle ribben in ongeveer vijf behandelingen losgezet. Dus niet alleen de pijnlijke plaats of de locatie van de aandoening wordt behandeld; de aandoening wordt gezien in het licht van de volledige lichaamsas. Een gedeeltelijke behandeling leidt volgens mevrouw Sickesz tot herhaling van klachten of tot het ontstaan van nieuwe klachten.

Manuele geneeskunde systeem Eindhoven. De manuele geneeskunde omvat een verzameling van manuele technieken. Men probeert te komen tot een objectivering van de verschillende handgrepen die bekend zijn in de chiropractie, de osteopathie en andere therapieën. De in de praktijk gebruikte technieken worden verdeeld in: a. technieken voor weke delen (verschillende vormen van massage); b. mobilisaties. Hiermee bedoelt men beweging binnen de fysiologische grenzen; c. directe gerichte handgrepen. Hiermee bedoelt men die handgrepen, welke tot gevolg hebben dat de parafysiologische ruimte wordt benut. Naast deze technieken maakt men gebruik van andere therapeutische mogelijkheden als voorbehandeling, ondersteuning en nabehandeling van de manuele correcties. Voorbeelden hiervan zijn bepaalde vormen van fysiotherapie, neuraaltherapie en farmacotherapie. Met het onder c genoemde bedoelt men de manipulatie. Deze bestaat uit ingrijpen in het gewrichtsmechanisme, waarbij voor een fractie van een seconde de gewrichtsvlakken van elkaar worden gebracht. Hierbij komt het tot het bekende ‘kraken’. Hierdoor kunnen de normale gewrichtsfuncties en de veelal daardoor veroorzaakte storingen binnen het desbetreffende segment (en soms ook nog daarbuiten) worden opgeheven. Bij de behandeling van een blokkering probeert men niet primair de stand van het gewricht te veranderen, maar men tracht de functie ervan te herstellen. De behandeling gebeurt zonder pijn.

Orthopedische geneeskunde (Cyriax). Daar het letsel met behulp van een zeer verfijnde diagnostiek nauwkeurig kan worden gelokaliseerd, kan de therapie in het Cyriax-systeem in de meeste gevallen ook zeer lokaal gericht zijn. Zo geschiedt in bepaalde gevallen de massage met één vinger, precies op de insertie van de pees. Bij infiltraties met corticosteroïden, soms geïndiceerd, is na minutieuze diagnostiek ook slechts een kleine hoeveelheid vloeistof nodig, mits aangebracht exact op de plaats van de laesie. Bij een partiële blokkade van een gewricht is de behandeling gericht op het verplaatsen van het bot- en kraakbeenfragment op zodanige wijze, dat dit fragment op zijn oorspronkelijke plaats in het gewricht terugkomt, of op een zodanige plaats in het gewricht terechtkomt, dat geen blokkade meer optreedt. Hierna wordt in het kort nog een aantal andere in Nederland gepraktiseerde vormen van manuele therapie besproken.

Cranio-sacraaltherapie. Hoewel osteopaten zich ook met craniale osteopathie bezighouden, moet cranio-sacraaltherapie als een afzonderlijke behandelingsvorm worden gezien. De cranio-sacraaltherapeut is meestal geen osteopaat maar een therapeut die een opleiding cranio-sacraaltherapie heeft gevolgd. Cranio-sacraaltherapie is vooral bekend geworden door het werk van dr. J.E. Upledger. Het is een behandelwijze die als doel heeft een ontspanning te bewerkstelligen in het cranio- sacraal systeem en in het bindweefsel in het algemeen. Daartoe gebruikt men zachte manuele technieken, aangeduid als manuele luistertechnieken. Het cranio-sacraalsysteem wordt beschouwd als het ‘milieu interne’ voor het centrale zenuwstelsel. Dit systeem is voorwaardescheppend voor ontwikkeling, groei en functie van het hele zenuwstelsel. Er is een wederzijdse beïnvloeding met andere fysiologische systemen in het lichaam: ademhaling, bloedsomloop en het endocriene en musculoskeletale systeem. Het cranio-sacraalsysteem is eveneens een fysiologisch systeem dat bestaat uit de benige structuren van schedel en wervelkolom, de durale membranen en de liquor cerebrospinalis. In het cranio-sacraal systeem vindt een continue beweging plaats die men het cranio-sacraal ritme noemt. Het heeft een frequentie van 6-12 maal/minuut. Dit ritme is onafhankelijk van ademhaling en hartslag en overal in het lichaam te palperen. Spanningsveranderingen in het cranio-sacraal systeem veroorzaken een verandering in het ritme. Dit heeft zijn invloed op de andere fysiologische systemen in het lichaam. Daardoor kunnen allerlei klachten ontstaan. Met behulp van de manuele luistertechnieken beoogt men de balans van het ritme te herstellen om daarmee de klachten te verhelpen. 

Idiomusculaire mobilisatietechnieken volgens Gaymans. Onafhankelijk van Gaymans (1907-1988), vroeger huisarts te Made, publiceerde ook Ruddy in Yearbook of the Academy of Applied Osteopathy (1961, 1962) over deze methode. De essentie van de methode is, dat de patiënt zelf de energie levert voor de mobilisatie. De taak van de therapeut beperkt zich tot het aangeven van de manier waarop de patiënt zijn kracht moet aanwenden. De patiënt kan zelf de behandeling beëindigen, wanneer het pijnlijk wordt. Bij een blokkering van, bijvoorbeeld, L2 laat men de zittende patiënt een actieve draaiing naar links maken, terwijl de therapeut enige weerstand geeft aan deze beweging. De draaiing naar links en het opwekken van de isometrische spanning naar rechts worden herhaald totdat de therapeut een duidelijke beweeglijkheid van L2 voelt. Op een dergelijke wijze kunnen ook blokkeringen tussen andere wervels worden behandeld. De methode is minder gevaarlijk en eist minder scholing dan andere vertebrale therapieën.

Methode Marsman. De fysiotherapeut Jaap Marsman was een leerling van Van der Bijl. Hij werkte in de jaren zeventig een sterk vereenvoudigd concept uit om de mobiliteit van de wervelkolom te beoordelen. Met behulp van dit zogenaamde ‘model-denken’ kan men een globale houdings- en bewegingsanalyse maken op basis van individuele driedimensionale asymmetrie. De behandeling bestaat uit veelal zachte bewegingstechnieken. Technieken uit andere manueel-therapeutische scholen worden niet afgewezen. Deze behandelingsvorm, aangeduid als (massa-mechanische) methode naar Marsman, zou men sneller kunnen leren dan eerder beschreven benaderingen. Er bestaat hiervoor een opleiding in Nederland.

Maitland-concept. Geoffrey D. Maitland werd in 1924 in Australië geboren. Na zijn opleiding tot fysiotherapeut heeft hij zich verdiept in behandeltechnieken uit de osteopathie, chiropractie en manuele therapie. Zijn concept voor manuele therapie wordt gekenmerkt door een klinische benadering van de klachten. Dit wil niet zeggen dat de theorie niet belangrijk is: zij kan echter nooit belangrijker zijn dan de bevindingen van de behandelaar op dat moment. Alleen een combinatie van klinische en theoretische bevindingen levert een optimaal resultaat op in de behandeling. Behandeling vindt overwegend plaats door het passief bewegen van gewrichten, spieren en zenuwstructuren. Meestal wordt een behandeling oscillerend uitgevoerd, soms via aanhoudende rek. Bij onvoldoende effect worden manipulaties onder compressie of tractie uitgevoerd. Er bestaat een opleiding voor deze vorm van manuele therapie in Nederland.

Zilgrei-methode. Dit is een zelfhulpmethode waarbij men zonder therapeut driemmaal drie minuten per dag een manueel-therapeutische behandeling op zichzelf toepast. Daarvoor is het nodig dat men eerst een Zilgrei-instructeur bezoekt. Deze bekijkt de wervelkolom en stelt een behandelingsschema op. Het werk doet de patiënt zelf. De instructeur kan verder zo nodig nog aanwijzingen geven. De methode is beschreven door dr. Greissing, een bekend chiropractor. De universiteit van Bologna (Italië) is het centrum voor onderzoek. Hier is ook een Zilgrei-instituut gevestigd. De methode heeft verschillende werkgebieden voor commercie/industrie, chauffeurs, piloten, mensen die achter beeldschermen werken en zwangeren. Er zijn zeer uiteenlopende indicaties, waaronder whiplash, spit, hoofdpijn, migraine en artrose.

Myofasciale therapie of triggerpointtherapie. Dit is een behandeling van pijnklachten die hun oorsprong vinden in het verkeerd functioneren van spieren. Wanneer een spier verkeerd functioneert, ontstaan er pijnpunten, ‘triggerpoints’ genaamd. Deze triggerpoints zijn voor elke spier specifiek in locatie en uitstralingszone. Door het behandelen van deze specifieke pijnpunten kan de pijn in de betreffende spier worden weggenomen. Overigens is het opvallend dat de triggerpoints zich niet altijd ontwikkelen in de zone van de pijn. Vaak is het oorzakelijk pijnpunt te vinden in een spier op afstand van de klacht. De oorsprong van deze therapie ligt in China, waar men drieduizend jaar geleden deze pijnpunten al behandelde met acupunctuurnaalden en rekkingstechnieken. Rond 1950 werd in Amerika deze behandelingsvorm verder uitgewerkt door Travell en Bigelow. Door behandeling van deze triggerpoints kan de pijn in de betreffende spier worden gereduceerd. Behandeling vindt plaats door het uitoefenen van druk, een injectie met procaïne, een acupunctuurbehandeling of het aanbrengen van koelspray en rekking van de spier. Er zijn lijvige leerboeken waarin de triggerpoints voor elke spier zijn beschreven. Er is ook een computerprogramma, ‘Trigger vision’, dat deze informatie bevat. Indicatie voor de triggerpointtherapie zijn: reumatoïde klachten, uitstralingspijnen, myalgieën, tendinopathieën en functiestoornissen van de spieren.

Stoottherapie (impacttherapie) volgens Tracey. Deze techniek gaat als volgt. Een zachte zandzak wordt op de grond geplaatst. Het te behandelen lichaamsdeel wordt hierin vastgezet. Bovenop het te behandelen lichaamsdeel plaatst men een tweede zandzak (buffer-zandzak). Een derde, half gevulde zak (stootzak) wordt met een aanstampende beweging opgetild en weer neergelaten. De stootzak wordt ritmisch op de bufferzak neergelaten in een frequentie van honderdmaal per minuut. De valhoogte is in het begin ongeveer zeven centimeter en neemt geleidelijk toe tot vijftien centimeter. Men onderscheidt een statische stoottherapie met zandzakken en een onbeweeglijk lichaamsdeel en een mobiele stoottherapie. Hierbij wordt het gewricht bewogen en gebruikt men in plaats van zand gierst in de zakken. Het voordeel van deze techniek is, dat men kan ophouden zodra de patiënt pijn aangeeft en dat zij gemakkelijk is te leren. De methode Tracey zou in het bijzonder succesvol zijn bij nekwervelartrose en de daaruit voortkomende klachten (neuritis van de arm, hoofdpijn, duizeligheid, pijn en spanning in de nek). Tot slot zijn er manuele technieken volgens onder meer Kaltenborn, Lewitt, Janda en Stoddard. Deze technieken past men toe in het buitenland. In Nederland zijn ze niet relevant. 



Contact